Constanter
De oudste nog varende boeier van scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee, met haar mooie lijn en haar snelheid onder zeil. Al bijna anderhalve eeuw op de Friese wateren.
Een boeier uit Joure
Wat is een boeier
Een boeier is een Fries jacht voor ondiep binnenwater, met zijzwaarden tegen de drift. Samen met de tjotter en het Friese jacht hoort de boeier bij de ronde jachten. Wat de boeier van die twee onderscheidt is de roef: de ruimte achter de mast is deels overdekt, als beschutte verblijfplaats.
Het type gaat eeuwen terug. Op schilderijen en prenten uit de zeventiende en achttiende eeuw staan boeiers afgebeeld, in vorm en tuigage al herkenbaar als de schepen van nu. De naam is nog ouder. In de vijftiende eeuw was een boeier een zeegaande vrachtvaarder. Het woord komt van het Middelnederlandse boeyen, het verhogen van het scheepsboord, waarmee een binnenvaarder geschikt werd gemaakt voor de zee.
In de zeventiende eeuw werd de boeier vooral een speeljacht, voor kooplieden en bestuurders die ermee voeren voor zaken en genoegen. Na 1800 hield het type zich vooral in Friesland staande, en werd de Friese boeier toonaangevend. (uit Vermeer, Ronde en Platbodemjachten)
De werf van Eeltje Holtrop van der Zee
De Constanter is in 1877 gebouwd in Joure, op de werf van Eeltje Holtrop van der Zee (1823 tot 1901). Hij gold in zijn tijd als de toonaangevende scheepsbouwer en kreeg opdrachten tot uit Amsterdam. Tegenwoordig wordt hij gerekend tot de grootste Friese scheepsbouwers.
De Constanter is de oudste nog bestaande boeier die op de Jouster werf van stapel liep. Het schip kreeg in het Stamboek nummer 5. De oorspronkelijke opdracht kwam van mr. J. Minnema Buma, griffier van het gerechtshof in Leeuwarden, die er al tijdens de bouw van afzag. Eeltje bouwde de boeier daarna af voor Wigle Ages Tromp uit Woudsend, voor tweeduizend gulden. (uit Vermeer, Ronde en Platbodemjachten)
Het werfboek van Van der Zee is bewaard gebleven en noteert alles wat erbij kwam: het tuig met een grootzeil van 162 el, kleed en tapijt voor de kajuit, kussens voor 86 gulden, en twee gulden voor de knecht die met het schip meeging op de reis van Joure naar Woudsend. Ook de tewaterlating staat erin, onder de post "aan koek en genever": f 3,82. Alles bij elkaar kostte de boeier compleet bijna 2800 gulden. (werfboek, weergegeven in Van Slooten en Vermeer)
De Constanter
Eeltje Holtrop van der Zee bouwde de Constanter op het oog, zonder tekening, en gaf haar de ronde vormen die een boeier kenmerken: een gepiekte bodem met ronde kimmen, zonder kielbalk. Het is die volle romp, die naar voor- en achtersteven in één lijn samenloopt, waaraan de Constanter onder zeil te herkennen is.
Het schip is rijk versierd. Snijwerk op de kluisborden, de beretanden, de kajuitrand en de hennebalk, veel koperbeslag, en op het roer een vergulde leeuw. Die leeuw sneed Van der Zee volgens de familie zelf, naar het voorbeeld van zijn kat op de schoorsteenmantel, omdat hij nog nooit een echte leeuw had gezien.
De lijn heeft door de jaren heen modelbouwers aangetrokken. Meerderen bouwden de Constanter op schaal na, en de heer Van Heyst uit Eindhoven nam zelfs de taak op zich haar op ware grootte na te bouwen. Het is bovendien een snelle zeiler, die nog altijd fanatiek in de top van de boeierklasse meevaart. (uit Van Slooten)
Technische gegevens
In 1955 kreeg L. Stelwagen uit Grouw van de Stichting Stamboek opdracht de boeier op te meten. Zijn tekeningen, een lijnenplan, een constructieplan en een zeilplan, leggen het schip tot in detail vast. Uit zijn beschrijving: de romp is karveel gebouwd van eikenhout van tweeënhalve centimeter dik, de mast van bijna veertien meter wordt op de Friese meren doorgaans zonder zijwanten gevaren, en de boeier voert ongeveer duizend kilo binnenballast, waarvan 480 kilo aan loodplaten bij de mastvoet en de rest in ijzeren blokken, verdeeld onder de vloer. (bouwbeschrijving Stelwagen, opgenomen in Van Slooten)
- Lengte over de stevens
- 8,06 m
- Grootste breedte op de berghouten
- 3,32 m
- Holte op het grootspant
- 1,37 m
- Diepgang
- 0,59 m
- Zeiloppervlak (grootzeil en fok)
- 58,0 m²
- Materiaal romp
- Eikenhout
- Zeil
- Dacron
- Zeilnummer
- RC 50
- Kielplank
- 8 huidgangen
- Snijwerk
- Kluisborden, beretanden, kajuitrand, hennebalk
Van 1876 tot heden
De Constanter vaart al bijna anderhalve eeuw en heeft sinds 1901 Grou als thuishaven. Twee eigenaren gingen de familie voor: koopman Wigle Ages Tromp en jonkheer Van Sminia. Daarna ging het schip vijf generaties lang over binnen de familie Halbertsma. De tijdlijn hieronder vertelt die geschiedenis in momenten.
De start van de bouw
In de herfst van 1876 gaf mr. Jan Minnema Buma, griffier van het gerechtshof in Leeuwarden, aan Eeltje Holtrop van der Zee opdracht tot de bouw van een boeier. Nog tijdens de bouw bedacht Buma zich. Waarom is niet bekend.
Zo stond er bij Van der Zee een half afgebouwd schip op de werf, terwijl hij de ruimte nodig had voor een grote boeier die het Rijk had besteld. Hij plaatste advertenties in verschillende kranten, waaruit blijkt dat hij actief een nieuwe eigenaar zocht voor de nog af te bouwen boeier.
In een reeks brieven, bewaard in het archief van de familie Tromp, probeerde hij Wigle Ages Tromp uit Woudsend over te halen het schip af te bouwen. Hij prees het aan als prachtig afgewerkt en compleet, maar hield zich in: "ik houdt niet van zoo veel gepluf". Tromp, koopman in hart en nieren, hapte niet meteen toe.
(uit Van Slooten, Constanter semper constans; brieven uit het archief Tromp)
Te water en gedoopt
Tromp ging overstag en kocht de boeier voor tweeduizend gulden. Aan de Ee in Woudsend liet hij een schiphuis bouwen, in mei 1877 opgeleverd voor vierhonderdvijftig gulden. Op 13 juni 1877 vond de overdracht plaats en werd de boeier naar Woudsend gebracht.
Tromp was een belezen man en een groot bewonderaar van Constantijn Huygens. De dichter ondertekende zijn werk met Constanter, een Latijns woord dat zoiets als standvastig of onwrikbaar betekent en dat hij als zinspreuk voerde. Tromp koos die naam voor zijn boeier, en het schip draagt hem sindsdien.
Nog datzelfde jaar voer de boeier haar eerste wedstrijd, op 19 september bij zeilvereniging Frisia in Grouw, met Eeltje Holtrop van der Zee zelf aan het roer. "Het zal er nu op aan komen", schreef hij vooraf aan Tromp, "maar is er wint reken daarom niet dat wij de prijs al hebben". Dat bleek terecht: in het debuut tegen de gevestigde rivalen kwam de Constanter nog niet aan een prijs toe.
Marie Tromp, die bij haar moeder in Amsterdam logeerde, schreef haar man een paar dagen later een brief die bewaard is gebleven. Ze had er al een hard hoofd in gehad, "niet omdat er geen genoeg wind was, maar gij heb wel eens gezegd van der Zee durft om de Vries niet, en dit heeft nu wel blijken gedaan, dus later opgepast Wigle".
(uit Van Slooten, Constanter semper constans)
Een nieuw, groter tuig
Tromp bleek een verwoed zeiler. In 1881 liet hij bij zeilmaker Sikkema in Grouw een volledig nieuw en groter tuig maken: een grootzeil van 177½ el, uit "extra zwaar geweefde carldoek met blinde naden", en een nieuwe, grotere fok. Het nieuwe zeil paste niet meer langs de oude gaffel, dus kwam er ook een nieuwe. Voor het oude tuig met gaffel kreeg Tromp honderd gulden terug.
Datzelfde jaar ging de boeier voor een grote beurt naar de werf in Joure. Ze werd geheel gelakt en geverfd, en er kwam een nieuwe mast, voor dertig gulden. En in het deurtje van het kastje in de kajuit werd een spiegel geplaatst, voor f 1,80. Hadden de damesgasten geklaagd dat die er niet was?
Als goed assuradeur verzekerde Tromp de boeier met schiphuis intussen keurig, voor 4200 gulden.
(uit Van Slooten, met de rekeningen uit het familiearchief Tromp)
Naar de familie Van Sminia
Tromp raakte op leeftijd en besloot in 1887 de boeier te verkopen. De nieuwe eigenaar was jonkheer Arent Johannes van Sminia, geboren op het landgoed De Klinze bij Oudkerk.
Anders dan de koopman Tromp kwam Van Sminia uit de Friese landadel. Hij beheerde zijn boerderijen en landerijen en bekleedde functies in het openbare leven. Net als Tromp was hij lid van zeilvereniging Oostergoo, de oudste van Friesland.
(uit Van Slooten)
Storm op de Hardzeildag
In 1890 deed Van Sminia voor het eerst mee aan de beroemde Hardzeildag van de Zeilvereniging Sneek. Die eerste keer zou hem heugen. Het woei die dag zo hard dat het programma veel te laat werd afgewerkt, en toen de schemering viel stond de stormachtige westenwind er nog vol op. Voor de thuisreis wilden de meeste schepen daarom aan een sleepje achter een stoomboot.
Dat sleepje werd een beproeving. De tros van de Constanter, het vierde schip in de rij, knapte af; de schipper had zijn nieuwe tros willen sparen. De stoomboot probeerde de snel afdrijvende sleep weer vast te maken en raakte daarbij zelf in moeilijkheden. Bij het baken tussen Roekoe en Kruiswater kon de boot de gang er niet meer in houden en sloeg de hele sleep stuurloos op lagerwal. De tweede stoomboot, de Barend Jan, trok de vloot uiteindelijk vrij. Het was inmiddels aardedonker, en het scheen de bemanningen een eeuwigheid te duren voor men tussen de beschutte wallen van Sneek voer, tot op de huid doorweekt en verkleumd.
(uit Van Slooten, die citeert uit Sneeker Hardzeildag van H. Halbertsma)
De oudste foto
De oudste bekende foto van de Constanter dateert uit 1891. Aan boord de familie Van Sminia, in de buurt van hun landgoed De Klinze bij Oudkerk.
Van Sminia voer er wedstrijden mee in Grouw en op het Sneekermeer, en maakte tochten over de Zuiderzee naar Amsterdam. Hij hield van het grote water en trok graag op met andere, grotere boeiers. Eenmaal voer hij, in konvooi met de bijna twee keer zo grote boeier Noordster, via Dordrecht naar Antwerpen. Op dat ruwe Zeeuwse water bleek de Constanter eigenlijk te klein. Die voorliefde voor ruim water bracht hem er uiteindelijk toe het schip te verkopen en een grotere, zeewaardige boeier te laten bouwen.
(uit Van Slooten)
Een koninklijke wedstrijd
Op 20 juni 1892 werd op het Sneekermeer een grote wedstrijd gehouden ter ere van het bezoek van de Koningin-Regentes, georganiseerd door de zeilverenigingen Sneek en Oostergoo. Naast gouden, zilveren en bronzen medailles, uitgeloofd door de koninginnen, waren er bijzonder fraaie prijzen. In de boeierklasse van acht deelnemers voer ook de Constanter mee, tegen oude bekenden als de Standfries en de Bever.
De prijs ging naar de Bever, maar de nasleep werd berucht. De heer Reitsma van de Friesland meende dat de premie hem toekwam, omdat bij de finish geen keurmeester klaarstond om voor zijn schip te schieten. Na maandenlang geschrijf werd zijn protest afgewezen met een koud briefje: hij kon zijn tweede premie, een bronzen medaille en twee kristallen vazen op zilveren voet, afhalen bij een kastelein in Sneek. Hij heeft het nooit gedaan. Misschien, schreef Van Slooten, liggen de prijzen er nog.
De jonge prinses Wilhelmina bracht die dag geruime tijd door aan boord van de oude boeier Stavo, naast de rijk versierde raderboot van het gezelschap.
(uit Van Slooten)
Oestervorkjes voor De Klinze
In de jaren negentig zeilde Van Sminia geregeld mee in de onderlinge wedstrijden van Oostergoo. In 1894 kwamen bij Wartena zeven zeer ongelijke schepen bijeen, boeiers en Friese jachten door elkaar. Van Sminia won, en na afloop begaf het gezelschap zich met de dames naar Bergumerdam, naar De drie gekroonde Baarzen, de bakermat van de vereniging, voor een gemeenschappelijke maaltijd.
Het jaar erop, in Grouw, won hij opnieuw. De prijs die hij mee naar De Klinze nam: oestervorkjes. En toen de onderlinge wedstrijd in 1896 bij Wartena werd herhaald, met prachtig weer en opgeluisterd door het plaatselijke fanfarekorps, won wederom de Constanter.
(uit Van Slooten)
Oostergoo vijftig jaar
De Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo, opgericht in 1848, is de oudste zeilvereniging van Friesland. De Constanter is er vanaf haar bouw mee verbonden. Haar opeenvolgende eigenaren waren er lid, van Tromp en Van Sminia tot de Halbertsma's, en meerderen zaten in het bestuur.
Bij het vijftigjarig bestaan in 1898 hield Oostergoo een grote zeilpartij in Grouw. In de aparte klasse boeiers met vaste roef streden vier oude bekenden, de Standfries, de Stavo, de Bever en de Constanter. De Constanter won de prijs, een zilveren presenteerblad.
(uit Van Slooten)
In de familie Halbertsma
In het voorjaar van 1901 verkocht Van Sminia de Constanter aan Pieter Goslik Halbertsma uit Grouw, oprichter van de bekende houtfabrieken. Het schip kwam in handen van een koopman uit een bekend Fries geslacht, en is sindsdien in de familie gebleven. De koopsom bedroeg 1600 gulden; voor een boeier die compleet voor bijna 2800 gulden was gebouwd geen slechte koop, en in Grouw werd de nieuwe eigenaar niet voor niets "de koopman" genoemd.
De hele inventaris bleef aan boord, tot een doosje met zilveren lepeltjes toe. Volgens de familie stapte mevrouw Halbertsma bij aankomst in Grouw aan wal met dat lepeldoosje stevig onder haar arm. Het is nooit meer aan boord teruggekomen.
Een jaar later kreeg Van Sminia spijt en bood aan het schip voor een hoger bedrag terug te kopen. Halbertsma had daar wel oren naar, want er lag net een rond Fries jacht, de Frisia, te koop voor minder. Maar zijn vrouw weigerde ooit aan boord van een open jacht te gaan, en zo ging de ruil niet door.
(uit Van Slooten; lepeldoosje naar de familie)
Een gestaakte wedstrijd
Pieter Halbertsma was laat begonnen met wedstrijdzeilen, opmerkelijk voor een geboren en getogen Grouwster. In 1903 waagde hij zich er voor het eerst aan, in Sneek, zonder succes. Later dat jaar zeilde hij mee bij zijn eigen vereniging Frisia in Grouw. Die dag liep slecht af. Het matige briesje groeide uit tot harde wind, enkele schouwen met te veel tuig en te weinig ballast sloegen om, en een jonge man verdronk. Halbertsma staakte de wedstrijd.
Het jaar erop won hij bij Oostergoo zijn eerste premie. Uit die tijd stamt ook zijn voorstel in een bestuursvergadering over de plaats van de directieboot met muziek bij de finish: die moest zo worden gestationeerd "om de winnende zeilers bij hun laatste pogingen te inspireeren en de verliezenden door kalmeerende toonen te doen berusten". Woorden van een wijs man, noteerde Van Slooten.
(uit Van Slooten)
De stormwedstrijd
Op de Sneeker Hardzeildag van augustus 1912 was het weer bar en boos. Acht schepen kwamen aan de start, zwaar gereefd. Een journalist schreef over schuiten die "in een halven orkaan" eerder op vliegtuigen dan op zeilschepen leken. Slechts vier haalden de eindstreep.
De schrijver Voordewind, die erbij was, beschreef het later zo: de Constanter was de kleinste van de deelnemers en had het op dat hol staande meer dus het zwaarst te verantwoorden. Toch bleef het tuig er "voortdurend kant bij staan", terwijl andere schepen telkens de schoten moesten opvieren om overeind te blijven. "Daar had men de zaak steeds volkomen in de macht en werd een kranig stuk zeilkunst weggegeven." Ook bij het ronden van de boeien ging alles gesmeerd.
Het was vakmanschap, schreef hij: "Hier waren vaklui bezig. En al was de stuurman hier dan geen beroepschipper, hij bewees voor de zoveelste maal voor zo iemand niet onder te doen." De Constanter won de premie.
(ooggetuigenverslag Voordewind, 1951)
De zilveren wisselcup
Om de boeierklasse te stimuleren loofde erelid jonkheer Van Eysinga in 1913 een fraaie zilveren wisselcup uit, die driemaal gewonnen moest worden. Op 3 juli 1914, vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was het raak: de Constanter won de begeerde wisselprijs.
De wedstrijden gingen in de oorlogsjaren gewoon door en de prijzen uit die tijd tekenen het tijdsbeeld: een met zilver gemonteerd roomstelletje, een gouden vulpen als premie in 1921, een zilveren suikerstrooier als prijs in 1922.
In 1924 stond er keiharde wind en hadden de schepen moeite overeind te blijven. De boeier Standfries van notaris Faber kenterde op de Ee. Halbertsma brak zijn wedstrijd af en verleende assistentie, waarmee de strijd voor de Constanter voorbij was en de Albatros vrij baan had.
(uit Van Slooten)
Hidde Halbertsma aan het roer
Pieter Goslik Halbertsma overleed in 1925. Zijn zoon Hidde Binnert Halbertsma werd eigenaar. Hidde was al als jongen door het zeilen gegrepen. Als tienjarige trok hij er alleen met de jol op uit, en in zijn eigen woorden bestond er voor hem maar één ding: zeilen. Op de kostschool in Leeuwarden leverde een opstel over zeilen hem een drie voor taal en een negen voor stijl op. Hij moest het voor de klas voorlezen, en hield er de bijnaam "de kapitein" aan over.
Hij voer de boeier zelf en kende elk onderdeel. 's Zondagsmorgens zat hij vaak al om zeven uur het koper te poetsen, en voor het ontbijt maakte hij een tochtje de Rechte Grou op en neer. In de jaren erna bleef hij vrijwel de enige die de boeierklasse in de wedstrijden in stand hield, samen met zijn vaste rivaal de Albatros. Hij diende zeilvereniging Oostergoo lang als bestuurder, eerst als penningmeester, later als voorzitter.
(uit Van Slooten en het eigen verhaal van Hidde Halbertsma)
Het tegeltableau
Bij het negentigjarig bestaan van Oostergoo in 1938 kwamen vijf schepen aan de start, met als prijs een antiek tegeltableau met een kofschip. Er stond een stevige wind.
De Constanter nam meteen de leiding, vergrootte haar voorsprong voortdurend en eindigde met groot verschil als eerste. Het tegeltableau werd door de familie Halbertsma in hoge ere gehouden.
(uit Van Slooten)
Terug bij het schip
In de laatste oorlogswinter werd Hidde Halbertsma door de Duitsers gevangengenomen en naar Duitsland gevoerd. Na de bevrijding bleef het stil; er kwam taal noch teken. Pas op 30 mei 1945 keerde hij terug, vermagerd maar gezond. De volgende dag al maakte hij een tocht met zijn geliefde schip.
In diezelfde meidagen was de Canadese generaal Simonds een van de gasten aan boord van de Constanter. Een volledig gastenboek is helaas nooit bijgehouden; er zouden interessante namen uit tevoorschijn zijn gekomen.
(uit Van Slooten)
De prinsesjes aan boord
Een jaar voor de inhuldiging van koningin Juliana kwam het toen nog prinselijke paar met de kinderen op werkbezoek naar Friesland. Op een zeildag met Friese ronde jachten, waaronder de Constanter en het Friese jacht de Mercurius, zaten prins Bernhard en de prinsesjes Irene en Beatrix aan boord van de Constanter.
Zij stapten op bij de Veenhoop en voeren via de Kromme Ee en de Modderige Bol richting de Wijde Ee en Grou. Prinses Juliana voer die dag mee aan boord van de Mercurius.
(krantenbericht "Het Prinselijk Gezin in Friesland", 2 augustus 1947)
Oostergoo honderd jaar
Begin juli 1948 vierde de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo haar eeuwfeest in en om Grouw. De verenigingsvlag stond strak op de toren van de Sint-Piterkerk, en over de wegen en meren kwamen de zeilers naar het Pikmeer.
Het was een ouderwetse hardzeilerij van oude Friese schepen. Vanuit het Nieuwe Kanaal startten de schepen vanaf de wal: vier man aan de landvasten om het schip in bedwang te houden tot het sein klonk. Eerst de boeiers, dan de Friese jachten, de tjotters en de schouwen. De Constanter, gestuurd door H.B. Halbertsma, won onbedreigd de prijs.
Laat in de middag landde een geel watervliegtuig op het Pikmeer: aan boord beschermheer prins Bernhard, die de bestuursleden van Oostergoo geluk wenste met hun feest.
(krantenbericht "Zeilvereeniging Oostergoo 100 jaar", 5 juli 1948)
Vijfenzeventig jaar
Op 13 juni 1952 was de Constanter vijfenzeventig jaar. De geboortedag stond vast, want op die dag in 1877 boekte Eeltje Holtrop van der Zee het schip als afgeleverd. Kapitein ter zee Van Waning had voor Oostergoo de nog bestaande boeiers en jachten van de Jouster werf op een rij gezet. Daaruit bleek de Constanter de oudste nog in Friesland varende boeier.
Hidde Halbertsma vierde het feest door het schip te pavoiseren en ermee uit te varen, met de Commissaris van de Koningin en zijn vrouw aan boord, over meer en Ee.
(krantenberichten over het 75-jarig jubileum, juni 1952)
De ronde jachten leven op
In 1953 zorgde een reünie voor een hernieuwde belangstelling voor ronde schepen in Friesland. Het was het begin van wat later de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten werd.
Hidde Halbertsma had hierin een grote inbreng, door zijn persoonlijkheid en zijn kennis van zaken, en als bestuurder van Oostergoo. Na deze opbloei werd het weer gewoon om de oude schepen samen aan de start te zien.
(uit Van Slooten)
De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten werd formeel opgericht op 8 oktober 1955, na de reünies van de voorgaande jaren en de overdracht van het statenjacht in 1954. Onder de oprichters waren het Fries Scheepvaart Museum en de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo. Doel was het bijhouden van een register van ronde en platbodemjachten, met historische gegevens, bouwgegevens en foto's van elk schip.
(bron: ssrp.nl, pagina over de historie van de stichting)
Naast de Friso bij Joure
Op 21 augustus 1956 lagen de Constanter en het statenjacht Friso samen voor de oude werf van Eeltje Holtrop van der Zee in Joure, de plek waar beide schepen waren gebouwd.
De twee boeiers streden in deze jaren meermalen tegen elkaar op het Sneekermeer, waarbij de Constanter geregeld als winnaar uit de strijd kwam.
(uit Van Slooten)
Op zee bij Den Helder
In 1959 hield de Stichting Stamboek haar zomerreünie in Den Helder, en Hidde Halbertsma was present met boeier en motorboot. Voor de zeegang werd de mast, die op de Friese meren ongestaagd wordt gevaren, uit voorzorg gestaagd.
Hoe graag hij ook daar wilde winnen, blijkt uit wat volgde. Hij nam een visserman in dienst om diens kennis van de ondiepten. Maar de man voer zelf al lang niet meer en hield onvoldoende rekening met de stroom, waardoor de Constanter achterop raakte en Van Waning, als oud-marineman op dat water goed thuis, de prijs won. Voor Hidde een diepe teleurstelling. De revanche kwam een jaar later, bij het eerste lustrum van de Stichting in Grou, waar hij in een veld van elf deelnemers de prijs won.
(uit Van Slooten)
De redding uit de brand
In juni 1960 brak een grote brand uit op de houtwerf van de N.V. Halbertsma in Grouw. De loodsen, gezien vanaf het Pikmeer, stonden in lichterlaaie. Naast de fabriek lagen de oude schiphuizen aan het water, waar tegenwoordig nog dat van het Friese jacht Mercurius staat, en waar destijds onder meer de Constanter lag. Gerrit Wester, de boeierknecht die het langst op het schip had gevaren, zag bij het eerste alarm meteen het gevaar en waarschuwde Hidde Halbertsma.
Hij gooide de boeier los en liet haar voor de wind wegdrijven, weg van het vuur. Daarna gooide hij alles wat nog in het schiphuis lag in het water, en redde het zo, want het dak stond al in brand.
Wester kende het schip door en door en vertroetelde het alsof het van hemzelf was. Wie hij was, staat verderop, bij De boeierknechten.
(uit Van Slooten, De Friese boeier Constanter 1877-1977)
De W.H. de Vos-prijs
Een maand na de brand, op 9 juli 1960, kende de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten de W.H. de Vos-prijs toe aan Hidde Halbertsma. De motivering somt op waar hij voor stond: de trouw aan de boeier die sinds 1901 in de familie was, dit "monument van Friese ambachtskunst" omringd met alle toewijding en zorg; de tientallen jaren als bestuurder van Frisia en Oostergoo; zijn aandeel in de boeiercommissie die in 1954 de boeier Friso als statenjacht aan de provincie overdroeg.
En, als laatste overweging: dat hij onder alle omstandigheden, bij wedstrijden en op tochten, het zeilen met zijn boeier "als een ware kunst" beoefende en zijn kennis en ervaring met vele vrienden van het ronde jacht deelde.
(mutatie bij de toekenning van de W.H. de Vos-prijs, 9 juli 1960, opgenomen in Van Slooten)
Een grote beurt bij Wester
In 1962 kreeg de Constanter op de werf van Wester in Grou een grote beurt. Ongeveer zeventig procent van de huidplanken werd vervangen, samen met veel inhouten.
Zo'n ingreep hoort bij een houten schip dat in de vaart blijft. Het is de zorg van opeenvolgende eigenaren, schippers en werven die de Constanter al die jaren varend hield.
(uit het familiearchief)
De derde generatie
In 1965, bij het tweede lustrum van de Stichting Stamboek in Grou, liet Hidde Halbertsma het roer over aan zijn zoon Pieter Goslik, geboren in Grouw in 1917. Hidde was 77 en zijn gezichtsvermogen ging achteruit. In 1970 werd Pieter ook eigenaar van het schip.
Hij voer er meteen mee aan de reünies en wedstrijden van de Stichting Stamboek, en won daarbij geregeld. De tijd dat knechten het onderhoud deden was voorbij; de eigenaar besteedde nu zelf veel zorg aan het schip.
Hidde bleef tot het einde betrokken. Enkele dagen voor zijn dood, in februari 1971, werden hem onderdelen van het schip gebracht. Hij betastte en bekeek ze met zijn bijna blinde ogen, stelde vele vragen, en streelde de helmstok die hij zo vaak in handen had gehad. "Een groot schipper in het aanschijn des Heeren is met hem heengegaan", schreef Van Slooten.
(uit Van Slooten)
Naar Zeeland
In 1972 maakte de Constanter de reis naar Zeeland voor een reünie in Zierikzee, waar ronde en platbodemschepen elkaar troffen. Ze vertegenwoordigde er de Friese vloot, ver van haar vertrouwde meren.
In deze jaren voer de boeier ook met succes op andere reünies, onder meer in Lemmer en Monnikendam, en op de Friese reünie in Heeg.
(uit Van Slooten)
Honderd jaar, Boot van het Jaar
In 1977 bestond de Constanter honderd jaar. In datzelfde jaar riep de stichting Sneekpromotion haar uit tot Boot van het Jaar. Die titel, sinds 1974 bedoeld voor een schip met een opvallende sportieve prestatie of een bijzondere maatschappelijke rol, kreeg de Constanter "op grond van zijn honderdjarig bestaan en de bijzondere plaats die het schip inneemt in de traditionele Friese watersport".
De wimpel en oorkonde werden op vrijdag 5 augustus uitgereikt in het Sneker stadhuis. Die dag lag de Constanter afgemeerd voor de Waterpoort. Ter gelegenheid van het eeuwfeest legde H.G. van Slooten de geschiedenis van het schip vast.
(Fries Dagblad, 28 juli 1977; Van Slooten; Waterkampioen, 1977)
De huidige eigenaar
In 1984 ging de Constanter over naar B.L. Halbertsma, de huidige eigenaar. Daarmee bleef het schip in de familie, in de vierde generatie sinds Pieter Goslik Halbertsma haar in 1901 kocht.
De vijfde generatie aan het roer
In 2016 nam Pieter Halbertsma tijdens de zeilwedstrijden van de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo het roer definitief over. Daarmee staat de vijfde generatie Halbertsma aan het roer van de Constanter, in een lijn die teruggaat tot 1901.
(uit het familiearchief; artikel "Boeier Constanter zeilt al ruim een eeuw mee aan de top", De Grouster)
Via Amsterdam naar de Kaag
In 2020 maakte de Constanter een tocht buiten haar vertrouwde water. Vanuit Grou ging het naar Stavoren, daarvandaan naar Galamadammen, en via Amsterdam richting de Kaag. De terugweg liep via Lemmer over het IJsselmeer. Een echo van de reizen die jonkheer Van Sminia ruim een eeuw eerder over de Zuiderzee naar Amsterdam maakte.
Varend monument
De Constanter is opgenomen als varend monument en vaart nog steeds mee in de top van de boeierklasse. Wedstrijden worden gezeild in Grou, Heeg en op de Veenhoop.
Het schip wordt zorgvuldig onderhouden. Tussen 2010 en 2018 zijn onder meer de berghouten, delen van de huid en het snijwerk hersteld, zodat de boeier varend kan blijven.
Onderhoud
Een houten schip vraagt voortdurende zorg. Onderdelen slijten, er kan witrot of ongedierte in komen, en wind, water en zonlicht doen de rest.
Generaties van zorg
De Constanter gaat al generaties over van vader op zoon, en elke generatie wil haar in goede staat doorgeven. Daardoor is ze niet alleen een van de oudste, maar ook een van de meest originele nog varende boeiers: boven water is het grootste deel nog van het schip zoals het in 1877 werd gebouwd.
Groot onderhoud
In de begintijd kreeg de boeier haar beurten op de werf waar ze was gebouwd. Pieter Halbertsma liet het schip in 1914 en 1917 door Auke van der Zee op de Jouster helling nakijken. Later kwam het onderhoud naar Grou, bij de werven van Postma en Wester, terwijl zeilmakerij Molenaar de tuigen maakte. In de snijboeken van die zeilmakerij is precies na te gaan welke tuigen er in de loop der jaren zijn gemaakt. (uit Van Slooten)
Tegenwoordig ligt het grote werk in de vakkundige handen van Martijn Perdijk van jachtwerf Wind en Water in Heeg, die ook de restauraties tussen 2010 en 2018 uitvoerde.
Groter werk komt meestal voort uit witrot, ongedierte of weersinvloeden, en wordt op basis van de staat van het schip ingepland. Zo zijn de vergulde sierlijst langs de kajuitrand en het kajuitschot in de bollestal vervangen wegens witrot, is de onderkant van het roer hersteld, waarbij de hak tijdelijk in epoxy is gezet om het originele roer uit 1877 te sparen, en zijn diverse huidgangen vernieuwd. Waar de spanten vroeger uit gegroeide krommers werden gemaakt, worden ze tegenwoordig gelamineerd, wat in de praktijk sterker is gebleken.
Belangrijke reparaties
- 1951 loefbijter verwijderd en het roerblad vergroot voor meer wendbaarheid
- 1962 ongeveer zeventig procent van de huidplanken en veel inhouten vervangen, op de werf van Wester in Grou
- 1967 eerste motor ingebouwd
- 1978 achtersteven vervangen
- 1983 voorsteven vervangen
- 1995 alle originele blokken vervangen
- 2010 en 2011 berghout en huidgangen aan bakboord, en het onderwaterschip kaalgehaald en opnieuw in de antifouling
- 2011 en 2012 motor, scheg, kielplaat en kajuithoek
- 2014 en 2015 naambord en hennebalk opgeknapt
- 2015 en 2016 kajuitschot en delen van het snijwerk op de roef vervangen wegens witrot
- 2017 en 2018 beide berghouten vervangen door Jachtwerf Wind en Water
Jaarlijks onderhoud
Het kleine, terugkerende werk deden vroeger vooral de knechten. Sinds 1970 doet de familie het zelf, ieder voorjaar opnieuw. Jaarlijks krijgt het schip een nieuwe antifoulinglaag, worden de zwaarden en het dek gelakt en wordt de motor nagekeken. Om het jaar volgen de bollestal, en de romp en het boeisel. De rondhouten worden gelakt naar gelang de slijtage, en landvasten, vallen en schoten gaan ongeveer om de vijf jaar. De Dacron zeilen worden vervangen wanneer ze versleten zijn.
De boeierknechten
Een schip als de Constanter had nooit in de vaart gehouden kunnen worden zonder de toewijding van de opeenvolgende knechten. De man die het langst op de boeier voer was Gerrit Wester, een schipperszoon uit Eernewoude die in Grouw bekendstond als "de dûvel fen Earnewâld". In 1924 kwam hij, op aandringen van zijn vrouw die het zwervende schippersbestaan moe was, aan de wal bij de houtfabriek, met het vooruitzicht in het voorjaar boeierknecht te worden. Hij zou het meer dan dertig jaar blijven.
Iedere zondagmorgen kwam Wester bij het huis van Hidde Halbertsma horen of er gezeild werd. De eerste vraag aan hem was steevast: "Hoe is de wind?" Aan boord heerste orde en regelmaat, met koffie en thee op tijd, wind of geen wind, door Wester bereid in het vooronder. Bang waren schipper en knecht geen van beiden. Toen Halbertsma eens opdracht gaf het rif dat Wester uit voorzorg had gelegd er weer uit te halen, en het bij de boei toch te hard bleek te waaien, was het antwoord: "Ik reef één keer en niet weer." Er werd met vol tuig doorgevaren, de boeier soms plat op het water. (uit Van Slooten en Halbertsma Nijs, juli 1959)
Een oud gezegde uit die tijd luidt: "meneer zit aan het roer, maar de knecht stuurt met de fok". Voor de Constanter ging dat niet op, tekent Van Slooten aan: Hidde Halbertsma had het roer in handen en bepaalde precies wat er aan boord gebeurde, en wee de knecht of opstapper die zijn commando's niet opvolgde.
Na Wester kwam Teake Brouwer, een schipperszoon die later schipper van het Drachtster Philips-skûtsje werd. Zijn leus, wanneer men nat en koud van het zeilen terugkwam: "Eerst het schip droog en dan de man!" Daarna kwam Jaap de Jong, die de boeier op voortreffelijke wijze verzorgde en zich katachtig snel over het gladde voordek bewoog, om even later in de roef weer ballast te verleggen. (uit Van Slooten)
Een schip dat nog vaart
Al sinds 1877 wordt er met de Constanter wedstrijd gezeild. Ze is gebouwd als plezierjacht, maar snelheid telde vanaf het begin. Met haar gepiekte onderwaterschip en geveegde achterschip hoort ze bij de snelste ronde houten jachten, en menig modern schip moet moeite doen om haar bij te houden.
Een eeuw aan de start
Haar eerste wedstrijd voer de Constanter al in haar bouwjaar, met Eeltje Holtrop van der Zee zelf aan het roer. Onder jonkheer Van Sminia volgden in de jaren negentig van de negentiende eeuw de wedstrijden bij Oostergoo in Grouw en op het Sneekermeer, en onder Pieter Halbertsma, vanaf 1903, werd het schip een vaste deelnemer. De beroemdste dag was de stormwedstrijd op het Sneekermeer in 1912, waar de Constanter haar tuig strak hield terwijl andere schepen het moesten opgeven.
De Sneeker Hardzeildag, waar de Constanter zo vaak aan de start kwam, gaat terug tot 1814. Dat jaar werd bij Sneek een zeiltocht gehouden om de behouden terugkeer te vieren van een Sneker die uit Franse krijgsdienst was gedeserteerd. Het beviel zo goed dat men afsprak er een jaarlijkse wedstrijddag van te maken. Rond 1850 groeide er een hele zeilweek omheen, en vanaf 1934 werd de Hardzeildag onderdeel van de Sneekweek.
(bron: ssrp.nl en Wikipedia over de Sneekweek)
Vanaf 1916 ontstond een jarenlange strijd met de boeier Albatros, met daarnaast rivalen als de Njord en later het statenjacht Friso. De Constanter en de Albatros zetten samen, als laatsten van hun soort, de boeiertraditie in de wedstrijden voort. Hidde Halbertsma won in die jaren meermalen de begeerde wisselprijzen. (uit Van Slooten)
Niet elk jaar bracht winst. Toen Oostergoo in 1931 de ronde jachten weer aan de start probeerde te krijgen, gecombineerd als boeiers en open jachten, gingen beide prijzen de boeg van de Constanter voorbij: het open Friese jacht Mercurius won. En zo kwam het verhaal in de wereld dat open jachten sneller zouden zijn dan boeiers. Wie de Stanfries-lijst van tegenwoordig bekijkt, weet hoe dat verhaal is afgelopen. (uit Van Slooten)
Sneller gemaakt
Hidde Halbertsma sleutelde voortdurend aan de snelheid. Hij liet een rechte gaffel maken, lelijk maar praktisch, omdat het zeil daarlangs beter te spannen was. Hij nam de loefschaak weg en een deel van de achterschaak, verdiepte en verlengde de hak van het roer, en hield de mast zo licht mogelijk. Tijdens de wedstrijd verdeelde hij de ballast naar windkracht en gezelschap, iets waar de Hollandse wedstrijdregels eerst geen rekening mee hielden.
Over het zeilen met een boeier zei hij: "Zeilen met een boeier is als het dansen met een mooie vrouw, je moet haar leiden." Tegelijk vond hij dat een boeier er niet is om te wedstrijden, maar in de eerste plaats om een prettige zeilsensatie te geven en er met gelijkgestemden op uit te gaan. (uit het verhaal van Hidde Halbertsma)
Hoe zo'n dag aan boord kon smaken, blijkt uit wat een gast, dominee Bonga, na een tocht met Hidde en zijn vrouw op de post deed. Zijn Friese dankgedicht is bewaard gebleven; het slot luidt:
Bitsjûgje wy lâns dizze wei
Ûs tankbrens: 't Wier in moaije dei!
Hwa 't yn sâ'n sfear oer 't wetter farre,
Kin dêr wer tiiden lang op tarre.
Dat zoeken naar snelheid hield niet op bij Hidde. Elke generatie bleef de boot verder afstellen en verbeteren. Ook Binnert Halbertsma bracht door de jaren veel wijzigingen aan om beter en sneller te zeilen. Bij een schip dat nog vaart kan het altijd net iets beter, en dat is wat alle eigenaren bezig houdt.
Vandaag: de Friese Reünie
Dankzij het ontwerp, een getrainde bemanning en het steeds aanscherpen van de afstelling vaart de Constanter al ruim een eeuw mee in de top van de boeierklasse. De wedstrijden worden tegenwoordig gevaren in de Friese Reünie, in het leven geroepen in 1998. Het zijn drie weekenden per jaar, in Grou, Heeg en op de Veenhoop, waarin in verschillende klassen wordt gestreden: de tjotters, de Friese jachten en de boeiers.
Bij de boeiers is een zilveren pompenblad te winnen, de Stanfries, aangeboden door Rienk Wegener Sleeswijk. De winnaars sinds 1998:
- 1998 Constanter
- 1999 Thomas
- 2000 Constanter
- 2001 Constanter
- 2002 Thomas
- 2003 Constanter
- 2004 Constanter
- 2005 Albatros
- 2006 Albatros
- 2007 Sylnocht
- 2008 Constanter
- 2009 Albatros
- 2010 Albatros
- 2011 Constanter
- 2012 Constanter
- 2013 Albatros
- 2014 Constanter
- 2015 Constanter
- 2016 Albatros
- 2017 Constanter
- 2018 Constanter
- 2019 Constanter
- 2021 Constanter
- 2022 Albatros
- 2023 Constanter
- 2024 Mientje
- 2025 Constanter
Zo staat de Constanter, bijna honderdvijftig jaar na haar eerste wedstrijd, nog altijd aan de start.
Voor wie verder wil lezen
De geschiedenis van de Constanter is goed gedocumenteerd. Ter gelegenheid van het eeuwfeest in 1977 legde H.G. van Slooten, destijds secretaris van de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo, de geschiedenis van het schip vast. Zijn twee monografieën verschenen in de serie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten en vormen de basis van deze site.
Literatuur
- De Friese boeier Constanter 1877-1977
- H.G. van Slooten, monografie nr. 5 van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, 1977. Lees de monografie (pdf, 7 MB).
- Constanter semper constans
- H.G. van Slooten, eveneens verschenen in de serie monografieën, met onder meer de brieven van Eeltje Holtrop van der Zee aan Tromp uit het familiearchief Tromp. Lees de monografie (pdf, 1,3 MB).
- Ronde en Platbodemjachten
- J. Vermeer. Het standaardwerk over de ronde jachten, met de geschiedenis van het scheepstype boeier en de historie van de Constanter, inclusief het bestek uit het werfboek van Eeltje Holtrop van der Zee.
- Ooggetuigenverslag Voordewind, 1951
- Verslag van de stormwedstrijd op het Sneekermeer in 1912, door een toenmalige betrokkene.
- Waterkampioen
- Het zeilen met de Constanter (maart 1959) en Boot van het jaar (1977).
De Stichting Stamboek
De Constanter is opgenomen in het Stamboek Ronde en Platbodemjachten onder nummer 5, en geregistreerd als varend monument (registratienummer 703, categorie A1, registratiedatum 11 maart 2008). De scheepsbiografie staat op de site van de stichting: de Constanter in het Stamboek.
Contact
Vragen over de Constanter, aanvullingen op de geschiedenis of oude foto's van het schip zijn welkom. Stuur een bericht aan phalbertsma@gmail.com.
Stuur een e-mail